De specialist in opleiden

binnen het Sociaal Domein

Werkzaam binnen de Wmo, hoe heet u?

Door: Jasper Peeters

Zo eenvoudig als het in 2015 nog was om van een Wmo consulent te spreken, zo gevoelig is de snaar die ik raak als ik u allemaal met deze term over één kam scheer. Wat rond 2015 het werk was van de Wmo consulent, is tegenwoordig het werk van (om er een paar te noemen): sociaal werker, gebiedsconsulent, gebiedswerker, consulent Wmo of Wmo consulent, toegangsmedewerker, consulent sociaal domein, gespreksvoerder Wmo, integraal consulent, maatschappelijk werker, meedenker, casemanager, gids, regisseur, regievoerder, klantmanager en ga zo maar door.

Werken als professional binnen de Wmo was nog nooit zo ondefinieerbaar als vandaag de dag. Met de decentralisatie van de zorg was het de bedoeling dat iedere gemeente maatwerk voor haar eigen burger kon creëren. Complementair aan decentralisatie en het leveren van maatwerk spelen onder andere een rol: het aanspreken op eigen kracht, de inzet van het voorliggend veld en het normaliseren in plaats van het problematiseren van zorgvraagstukken. Of deze ideeën zijn ingericht ten behoeve van een kwaliteitsverbetering in de zorg, een grootschalige bezuiniging of een uitgebalanceerde combinatie van beide laat ik voor nu even in het midden. Feit is dat de effecten van de decentralisatie, zowel financieel als kwalitatief, bemerkt worden in iedere afzonderlijke gemeente. Sterker nog, door het werk van iedere individuele professional binnen de Wmo (en het sociaal domein) en de inschatting die hij of zij maakt tijdens en na het “keukentafelgesprek”.

En daar gebeurt iets bijzonders. Vanuit de psychologie is bekend dat de mens zich uniek wil voelen. Het is een drang naar authenticiteit die maakt dat wij anders willen zijn of doen dan onze buurman, naaste of juist een totaal onbekende. Het is precies deze drang die ik bemerk bij een gemeente als ik er in gesprek ben over de uitvoering van het sociaal domein, in dit geval specifiek de Wmo. Als we kritisch kijken naar de invulling van al die functies die ik benoem in mijn inleiding, dan is dat toch veelal diezelfde consulent of professional, maar dan met enige aanvullende scholing, een opfriscursus en her en der een stevig gesprek om duidelijk te maken dat het anders moet dan voor 2015. Maar natuurlijk het belangrijkst: een nieuwe naam. De moverende redenen voor een nieuwe functienaam zijn veelal uitstekende argumenten. Het heeft veelal te maken met het creëren van draagvlak en een cultuuromslag om een nieuwe werkwijze en veranderd gedachtegoed te implementeren (zowel naar de burger als intern). Toch kom ik na gesprekken met meer dan 200 gemeenten over dit onderwerp niet verder dan, in hoofdlijnen, vijf manieren van werken en inrichten. Dat vind ik bijzonder, gezien het feit dat er toch ruim 350 gemeenten zijn die het ieder op hun eigen manier doen met hun eigen werkwijze, processen en functieomschrijvingen.

Wat ik maar aan wil geven is dat ik het idee heb dat we in onze drang naar authenticiteit soms, heel misschien, een beetje zijn doorgeschoten. Wellicht wordt er soms vergeten dat de decentralisatie een mogelijkheid bood voor gemeenten om het anders te doen dan de buurgemeente. Een mogelijkheid, géén verplichting. Ik ben zelf juist altijd voorstander geweest van het verenigen en bundelen van krachten, want samen kom je verder dan alleen. Volgens mij is dat ook wat u de eenzame of zorgbehoevende burger en zijn of haar netwerk meegeeft in de gesprekken die u bijna dagelijks voert tijdens uw werk. Maar hoe verenigt u zich, als professional, als u niet in dezelfde gemeente werkt? En als daardoor uw werkwijze er net iets anders uitziet dan die van de buurgemeente, maar ze elkaar wellicht ook hadden kunnen versterken? Hoe ontwikkelt u zich buiten de veilige muren van de eigen gemeente?

U handelt allemaal vanuit dezelfde wet, met hetzelfde doel en professionele basishouding. Wellicht is het aan uzelf om zich daartoe te verenigen, door te ontwikkelen en de “best practices” uit uw werk te delen buiten die veilige muren van de gemeente.